‘Degene die één talent ontvangen had… begroef het.
Hij zei: Heer, ik wist van u dat u streng bent… en uit angst besloot ik uw talent te begraven. Alstublieft, hier hebt u het terug!’
(Mattheüs 25:18, 24-25)
Op TV kun je soms een talentenjacht zien, Denk bijvoorbeeld aan ‘Holland’s got talent’. Een talent, het is daar iets wat je goed kunt, waar je in uitblinkt. Maar wist u dat de uitdrukking ‘ergens talent voor hebben’ uit de Bijbel komt? Jezus vertelt er een verhaal over.
Jezus vertelt van een man die aan zijn knechten talenten geeft om te investeren. Letterlijke talenten, zakken met zilvergeld. Een talent was in de tijd van de Bijbel namelijk een hoeveelheid zilver, niet een talent zoals bij een talentenjacht. Toch is het niet vreemd dat het woord bij ons iets anders is gaan betekenen. Want het verhaal dat Jezus vertelt, heeft een diepere betekenis.
De man die de talenten uitdeelt, de heer, is natuurlijk de Heer met een hoofdletter, God. En de talenten zijn de gaven die hij aan mensen geeft. Daar zijn dingen bij die je bij een talentenjacht terugziet, zoals goed kunnen zingen. God geeft echter veel meer gaven aan mensen. Handig zijn, een goed verstand hebben of veel energie, geduld, groene vingers, of wat dan ook. We krijgen allemaal allerlei gaven van God. Bedenk er maar eens een paar die u gekregen hebt!
In het verhaal van Jezus gaan de knechten aan het werk met hun talent. Ze investeren het zilver en maken er zo meer van. Tenminste, zo doen de meeste van hen. Eén knecht doet dat niet. Hij graaft een gat en begraaft het geld diep in de grond. Waarom doet hij dat? Dat blijkt uit het vervolg. Het is uit angst! Als hij het voor zijn heer gaat investeren, is er altijd risico. Misschien gaat er iets mis en lijdt hij verlies. Dan zal hij zijn heer minder zilver kunnen teruggeven dan hij kreeg, en dat durft hij niet. Hij wil elk risico mijden. Dan maar liever veilig begraven! Dan wordt het niet meer, maar ook niet minder. Dan doet hij er niets mee, maar dan doet hij in elk geval ook niets fout.
Ik denk dat er nog steeds mensen zijn die lijken op deze knecht. Mensen die geloof vooral beleven als ‘je moet het niet verkeerd doen’. God is dan de strenge heer die ieder mens zal beoordelen. En het gevolg: de nadruk valt op dat je niets verkeerd wilt doen. Volgens de tien geboden: telkens ‘u zult níet…’ Dan wordt gelovig leven vooral ‘netjes leven’. Want God moet niets op je aan te merken hebben.
Echter, is dát Gods bedoeling met een mensenleven? In het verhaal dat Jezus vertelt, horen we dat God aan ieder mens gaven geeft. En dan gaat het Hem erom wat je wél doet. Namelijk, je gaven investeren, gebruiken voor Gods Koninkrijk. Volgens het grote gebod, dat zegt hoe het wél moet: God en naaste liefhebben. Goed doen in de wereld, en getuigen van Gods genade. Dát is opbrengst die Hij wenst, en daarvoor geeft Hij ons gaven. Om te gebruiken voor Hem.
Hoe staat het daarmee bij ons? Dat is een heel andere vraag dan ‘doe ik niets verkeerd?’ Het is de vraag ‘doe ik iets goeds?’
Als Jezus eens komt, en de eindbalans wordt opgemaakt, zal iemand misschien zeggen: ‘ik heb niet gemoord, ik heb niet gestolen, ik heb niet gevloekt, ik heb geen andere goden vereerd…’ En wellicht is het nog waar ook. Maar ik stel me zo voor dat Jezus dan antwoordt: ‘OK, maar wat heb je wél gedaan? Hoe heb je de gaven ingezet die ik je gaf? Heb je ze gebruikt ten goede van anderen, en tot eer van mijn Vader?’
Begraaf je talent niet, maar zoek hoe je je gaven kunt gebruiken. En zeker, dan zul je vast fouten maken, verkeerd doen soms. Maar dat is niet onoverkomelijk! Want je mag weten dat Jezus onze fouten wilde dragen, onze zonde, zelfs onze onwil. Hoe gebruikt u uw talenten voor Hem?
Ds. Adriaan Molenaar
Voor u gelezen
‘Het gaat er in het leven om dat je de plichten vervult die God je toebedeelt, en die – soms zonder dat je dat wilt – op je weg worden geplaatst. Niet meer en niet minder. Als je het zo bekijkt, doet het er niet toe wat er gebeurt, als je maar op je post blijft staan. Dan krijgt je leven vanzelf betekenis.’
(Enny de Bruijn)
‘Ik heb God eens zelf horen spreken. Eén keer in mijn leven. Ik weet nog precies hoe, wat, waar, wanneer. De een zal er wel gevoeliger voor zijn dan de ander. Het was uit de mond van een dominee, maar die viel zogezegd even weg. Wel kreeg ik de preek later op papier, dus toen kon ik God nog eens nalezen. Maar toen sprak Hij niet meer.’
(Wessel ten Boom)
