‘Uw zonen volgen uw voorouders op’ (NBV)
‘Uw zonen zullen de plaats van uw vaderen innemen’ (HSV) – Psalm 45:17
Op Hemelvaartsdag hoop ik te preken over Psalm 45. In deze overdenking neem ik uit die psalm één losse tekst, die ik in de preek niet voldoende kan behandelen.
Opvolging, daar gaat het over in de tekst die hierboven staat. De ene generatie die de andere opvolgt. In de psalm gaat het dan over koningen en hun kinderen, die een dynastie vormen. Je kunt deze woorden echter ook betrekken op de kerk, op de mensen die geloven. Daar volgen de generaties elkaar ook op. Ouderen overlijden, jongeren volgen hen op.
Misschien geeft de tekst hierboven wel onrust als je hem leest en op de kerk betrekt. Volgen de generaties elkaar wel op? In onze kerk, en in vele kerken, zijn minder jongeren dan ouderen. Wordt het stokje wel overgenomen? Komen de kinderen wel in plaats van hun ouders?
Dat zijn belangrijke vragen. Echter, als je ze zo stelt, dan kijk je van een afstandje naar kerk en geloof, en de opvolging daarin. Maar… in werkelijkheid sta je er niet buiten. Je hebt zelf ergens een plek in de opvolging. Je hebt zelf een taak en een opdracht. Dáár wil ik nu even op focussen. Néém je het stokje over? Gééf je het stokje over? En nee, kijk dan niet naar de jongeren, kijk eerst eens naar jezelf.
In onze gemeente zijn de afgelopen tijd best wat markante mensen overleden. Mensen waarvan je echt wel mocht zeggen dat ze een groot geloof hadden. Mensen van wie we met dankbaarheid en respect afscheid namen. Misschien kunt u zelf wel een naam invullen.
Bij mij kwam ineens de gedachte op, bij weer zo’n afscheid: wie komt er in hun plek? Echte voorbeeldfiguren, die uit het geloof leefden, niet bang waren erover te spreken, die iets van Gods licht verspreiden. Zijn die er ook in de generatie ónder hen?
Een lastige vraag natuurlijk. Misschien moet je wel een zekere levenservaring opdoen om zo’n gerijpt geloof te krijgen. En ik denk eigenlijk niet dat iemand ooit van zichzelf zal zeggen: ja, ik heb inmiddels net zo’n diep geloof als oma, tegen wie ik vroeger zo opkeek. Het zullen eerder jóuw kleinkinderen zijn, die dat later van je zullen zeggen.
Tenminste… áls dat over je te zeggen is. Het kan ook zijn dat zoiets niet van je te zeggen is. Dat jouw leven met God veel oppervlakkiger is dan dat van je ouders. Dat je ‘wel gelooft’ maar met weinig uitstraling. Dat het niet blijkt in je levenskeuzes, of in trouw in de kerkgang. Onderzoek uzelf eens, of je niet een stuk bent afgezakt, vergeleken met wie je voorgingen! Wat horen en zien je (klein)kinderen aan jou?
Maar het kan wél, gelukkig. Al lijkt het misschien onvoorstelbaar als het over jezelf gaat. Ik, een voorbeeld voor mijn eigen kinderen en kleinkinderen? Ik, iemand die Gods liefde laat zien om me heen? Ja, u! Misschien heb je het zelf helemaal niet door. Er is wel gezegd dat sommige christenen “de lamp op de rug dragen” – anderen zien het licht dat ze verspreiden, maar zelf zien ze vooral de schaduwen en wat nog ontbreekt.
Het kan wél. Sterker nog, het zál gebeuren. Zo zegt de tekst het. Er staat niet een feit, zoals de NBV het weergeeft, maar een belofte. God Zélf zorgt dat van generatie op generatie er geloofsgetuigen zullen zijn.
Daar mogen we op vertrouwen. En dan gaat het niet om aantallen, om kwantiteit, dan gaat het allereerst om kwaliteit – hoe vreemd dat woord hier ook klinken mag. Om mensen die écht Jezus volgen, met vallen en opstaan. De Heer staat er zelf voor in, dat zo’n leven iets nalaat. De hoop die glinsterde in de ogen van een doorleefde oudere, zal glinsteren in de ogen van een beproefde boomer. Als oma’s gebed stopt door de dood, zal een kind ineens beseffen dat zíj nu moet bidden voor de familie.
Waar staat u in de lijn van de opvolging?
Ds. Adriaan Molenaar
